Kennis van de wereld

Iedere leerling moet in staat zijn de wereld om hem heen te begrijpen en mede vorm te geven. Daarom heeft iedere leerling een vaste basis nodig van kennis en vaardigheden. Dankzij die basis kunnen leerlingen op de hoogte blijven van (inter)nationale ontwikkelingen en zijn ze in staat nieuwe kennis tot zich te nemen en toe te passen. Het Platform stelt voor de kennisbasis onder te verdelen in drie domeinen: Natuur & Technologie, Mens & Maatschappij en Taal & Cultuur. Die domeinen gaan over de grenzen van de huidige vakken heen. Dat betekent dat in bijvoorbeeld het domein Natuur & Technologie kennis en manieren van denken uit bijvoorbeeld natuurkunde en biologie terugkomen, maar ook concepten en manieren van werken die de vakken gemeen hebben. Werken in domeinen maakt het mogelijk meer aandacht te besteden aan actuele maatschappelijke vraagstukken, zoals duurzaamheid en nieuwe technologieën. Zo wordt het onderwijs voor leerlingen meer betekenisvol.

Natuur & Technologie

Binnen het domein Natuur & Technologie leren leerlingen biologische, technische en natuurkundige verschijnselen begrijpen en onderzoeken. Ze leren (innovatieve) producten te maken, waarbij ze kennis uit verschillende vakgebieden kunnen inzetten. Naast inhoudelijke kennis gaat het binnen dit domein om vaardigheden als modelleren, onderzoeken en ontwerpen. Het domein Natuur & Technologie is onlosmakelijk verbonden met wiskunde.

Het gaat bijvoorbeeld om de volgende vraagstukken, waarin elementen uit verschillende vakgebieden terugkeren:

  1. Wat zorgt ervoor dat de mens psychisch en fysiek gezond blijft of wordt?
    Over gezondheid en ziekte, met onderwerpen als: de werking van het menselijk lichaam, voedingsleer, het belang van bewegen en de werking van het brein.
  2. Wat is de impact van technologieën en technieken op ons bestaan?
    Over techniek en technologie, met onderwerpen als: de digitale revolutie, productieprocessen, nanotechnologie, industrieel ontwerp, gevolgen van robotisering en nieuwe beroepen.

Eindadvies Platform Onderwijs2032

Kinderen leggen op de basisschool en middelbare school de basis voor hun toekomst.  Welke kennis en vaardigheden hebben leerlingen die nu voor het eerst naar school gaan nodig om in 2032 goed aan hun volwassen en werkende leven te beginnen? Als antwoord op die vraag heeft het Platform Onderwijs2032 een visie geformuleerd op toekomstgericht onderwijs. Dat moet, in de ogen van het Platform, aan de volgende vijf kenmerken voldoen:

  • Leerlingen doen kennis en vaardigheden op door creatief en nieuwsgierig te zijn.
  • Leerlingen vormen hun persoonlijkheid.
  • Leerlingen leren om te gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Ook leren ze over grenzen heen te kijken.
  • Leerlingen leren de kansen van de digitale wereld te benutten.
  • Leerlingen krijgen betekenisvol onderwijs op maat.

Deze kenmerken vragen om een nieuwe koers in het onderwijs. Het is belangrijk dat leerlingen een vaste basis van kennis en vaardigheden opdoen. Die kunnen ze verdiepen en verbreden op basis van hun eigen mogelijkheden en interesses. Toekomstgericht onderwijs gaat niet alleen om vakinhoudelijke onderwerpen: het stelt ook actuele maatschappelijke vraagstukken en vragen van leerlingen centraal.  Het is belangrijk dat leerlingen leren om te denken en te werken over de grenzen van vakken heen. Ze ervaren meer samenhang tussen verschillende vakken.  Ook werken ze op school aan hun persoonlijke ontwikkeling. 

  • Ella.hueting

    Het zou goed zijn om bij deze mooie ontwikkelingen ook het hoger technisch onderwijs te betrekken. Daar is veel kennis over de nieuwe technologische ontwikkelingen en welke impact deze kunnen hebben op onze samenleving. Ook is daar al onderwijs ontwikkeld voor (jonge) kinderen en leraren, zoals door de junioracademie bij de Fontyshogescholen in Eindhoven. Bij de Fontyshogeschool Engineering wordt momenteel ook het onderwijs zo aangepast dat maatwerk mogelijk is en we beter aansluiten op de voorkennis van de beginnende studenten. En ook bij andere hogescholen wordt over deze ontwikkelingen nagedacht. Door aan deze ontwikkelingen samen te werken kunnen we ervoor zorgen dat de er meteen ook een goede aansluiting is op het vervolgonderwijs.

    • C. de Kovel

      Die aansluiting op het vervolgonderwijs is iets waar ik me wel zorgen om maak. Universitair onderwijs (waar ik in werkzaam ben) is momenteel heel massaal. Hoe kun je dat onderwijs aanpassen aan leerlingen die bijvoorbeeld biologie, natuurkunde of scheikunde op verschillende niveaus hebben afgerond? En hoe gaan we verder? Natuurlijk volgen universitaire studenten vaak een individueel traject w.b. de keuze van vakken, maar binnen een vak probeer je als docent alle studenten op hetzelfde niveau te krijgen, zodat het volgende vak daarop kan aansluiten.

      In universitaire masters heb je als docent nu al meestal te maken met studenten met allerlei achtergronden. Dat maakt lesgeven heel lastig. Optie 1: je blijft erg oppervlakkig, zodat de studenten wel aan de stof ruiken, maar niet echt erin duiken. Optie 2: je begint bij het laagste niveau en de helft van de studenten verveelt zich rot. Optie 3: je begint op een gemiddeld niveau en een kwart van de studenten kan het niet volgen. Krijgen we dat straks ook op bachelorniveau? Maatwerk is heel moeizaam, zeker als de cursussen kort zijn, de studentenaantallen groot en voorbereidingstijd beperkt.

      Ik ben er zeker niet op tegen om ieder de kans te geven zoveel mogelijk uit zichzelf te halen, maar ik denk wel dat de hele keten betrokken moet worden bij de plannen.

    • Michiel van der Blonk

      Leerlingen hoeven zich in modern digitaal aangeboden onderwijs nooit te vervelen. Elke leerling kan op zijn eigen tempo werken op zijn eigen niveau. Dat massale is ouderwets en moet worden geindividualiseerd. Kostenbesparing was volgens mij de enige reden om zo massaal te gaan lesgeven. Het slaat werkelijk nergens op en is absoluut niet effectief.

    • C. de Kovel

      Was het maar zo simpel, maar ik ben bang van niet. Natuurlijk, studenten krijgen een boek, opdrachten met uitwerkingen en zelftoetsen (kan natuurlijk ook met een app, dat is in feite hetzelfde) en dan mogen ze zelf beslissen hoeveel ze doen, zolang ze maar tien weken later op het niveau van het tentamen zijn. En de docenten bieden altijd verwijzingen/links aan naar extra materiaal voor de nieuwsgierige student en voor de student met hiaten. (Daarnaast doen docenten tijdens het contactonderwijs natuurlijk nog heel veel andere dingen). Maar dat een student zelf zijn tempo kan bepalen is voor mij nog niet hetzelfde als onderwijs op maat leveren.